Komaan Gijs!

Een stralende zon, een blauwe hemel en een zacht briesje… het wordt vast en zeker een prachtige dag. Ik besluit een fikse wandeling te maken naar het bos waar aan de rand ‘de grote babbelboom’ staat. Misschien heeft hij wel zin om mij te verwennen met één van zijn prachtige verhalen. Het is al een hele tijd geleden dat ik nog een bezoekje bracht. Ik kijk er enorm naar uit want hij kan zo mooi vertellen.

Foto Marc Van Wezemael / Illustratie Ona Van Avermaet

Plots hoor ik een luid krassend geluid. Hoog in een boom op een dunne tak zit een mooi gekleurde vogel. Ik zie alleen zijn rug en zijn zwarte staart. Welke vogel zou het zijn? Ik heb er nog nooit zo een gezien.  Misschien weet de babbelboom het wel. Ik wandel nog een heel stuk verder tot ik aan de rand van het bos kom. En daar zet ik me neer op het stronkje met mos dicht bij de babbelboom. Ik rust even uit en zeg de spreuk…

‘Biebele babbele boe, oren open en mondjes toe.

Het is geen grap, het is geen droom, luister naar de babbelboom.

Letters, woorden, zinnen, laten we beginnen.’

En de boom wordt langzaam wakker. “Hey Hilde, da’s lang geleden. Echt fijn om je nog eens te zien. Aan het genieten van ons prachtige bos?” vraagt hij trots. “Ja hoor het is hier zalig en zo rustig. Behalve toen ik aan de andere kant van het bos was, toen was er daar een rare vogel. Zo een heb ik nog nooit gezien. Hij maakte een luid krassend geluid en zat heel hoog in een boom. Ik zag alleen dat hij een bruin roze kleur heeft en een zwarte staart want hij zat met z’n rug naar mij,” antwoord ik.

Foto Marc Van Wezemael

“Dat zal waarschijnlijk onze Gijs geweest zijn. Dat is een gaai. Oh kijk, daar zit hij,” zegt de babbelboom blij. “Hij lijkt er wel op maar de vogel die ik zag, had zo geen kuifje op zijn kop,” antwoord ik twijfelend. Maar wanneer hij weer dat krassend geluid maakt, weet ik het zeker… hij is het. En nu kan ik hem veel beter zien. Op beide vleugels heeft hij twee vlekken. De ene is fel wit en de andere heeft kleine witte, zwarte en blauwe streepjes.  De gaai springt van de ene tak naar de andere en vliegt weg.

“Dat kuifje zie je alleen als hij kwaad is,” vertelt de babbelboom, ”daarnet zal hij jou niet gezien hebben. Nu ziet hij je wel en omdat hij je niet kent, is hij bang en boos. En dat luid geschreeuw… da’s om de andere vogels te waarschuwen dat er mensen in de buurt zijn. Zal ik je nog wat vertellen over Gijs? Ik ken hem al heel lang, van toen hij nog een jong gaaike was.” De babbelboom maakt me wel nieuwsgierig en natuurlijk wil ik naar hem luisteren. Ik zet me gemakkelijk op het stronkje met mos en de babbelboom vertelt…

Foto Marja van Dam

In de tuin van een huis hier niet zover vandaan, kwamen elke dag twee gaaien op bezoek, een mannetje en een vrouwtje. Ze zagen er net hetzelfde uit. Maar het mannetje joeg het vrouwtje het bos in en vloog achter haar aan met zijn vleugels wijd open en zijn kuifje rechtop. Hij zong ook zijn mooiste lied voor haar en gaf haar eten. Het vrouwtje toonde ook interesse en enkele dagen later waren ze een koppeltje. Het was toen lente en samen maakten ze een nest hier in het bos tussen mijn hoogste takken. Ik zag ze elke dag samen aan hun nestje bouwen. Ze vlogen voortdurend heen en weer met takken en mos in hun snavels. En als het nestje klaar was legde het vrouwtje haar eieren. Het broeden kon beginnen. Dat deden ze om beurt en wie niet op het nest zat, zorgde voor het eten. Het broeden duurde een paar weken.

Foto Mark Merckpoel

En dan op een morgen hoorde ik een zacht gepiep in het nest. Het broeden was gedaan en uit de eieren waren drie jongen gekomen. Kleine gaaikes zijn nestblijvers. Ze blijven in het nest tot ze net zulke mooie veren krijgen als hun ouders. Dan pas mogen ze het nest uit. En na een drietal weken vlogen twee jongen uit. Ze zochten nog niet zelf naar eten maar werden nog gevoederd door de ouders. Maar als ze met hun vieren een korte vlucht maakten hoorde ik nog steeds gepiep uit het nest. Zou er nog een kleintje achtergebleven zijn? En inderdaad er zat nog een jonge gaai in het nest. Het vrouwtje had drie eieren gelegd.  Ik hoorde en zag dat de ouders vaak boos waren op het ene jong. Ze zaten dan op de rand van het nest luid te krassen met hun kuifje rechtop. Het ene jong wilde niet vliegen. Het was bang om het nest te verlaten. En dat was natuurlijk voor de gaaien een heel groot probleem. Wat ze ook probeerden, het lukte niet.

Op een avond stak er een harde wind op. In de verte kon je het horen donderen. De gaaien verlieten het nest om een veilige plaats te zoeken. Maar het bange gaaike bleef achter. Toen brak er een verschrikkelijk onweer los. De takken van de bomen zwiepten wild heen en weer. Ook mijn takken waar het nest in was gemaakt. Het kleintje verscheen aan de rand van het nest en was doodsbang. De wind rukte het nest los. Het kleintje vloog stuntelig naar beneden. Net op tijd want het nest belandde met een harde plof op de grond en was helemaal kapot.  

Foto Anita Ilsbroux

Daar zat hij nu, helemaal alleen en bang. De storm raasde nog door het bos en de takken van de bomen kraakten. De blaadjes vlogen in het rond. De kleine gaai zat te bibberen van de kou. Onderaan mijn stam, bijna tegen de grond, is er een gat.  Het jong duwde de takjes en het mos van het gevallen nest er naartoe. Hij probeerde in het gat te kruipen maar dat was te klein. Daarom maakte hij voor zichzelf een bedje van takjes en mos. “Kom maar dicht bij me zitten,” fluisterde ik want ik wilde het kleintje niet bang maken. Hij schrok wel toen hij mijn zware stem hoorde, maar kwam toch dicht tegen me aangekropen. Toen de storm eindelijk was gaan liggen, lag hij uitgeput te slapen. Ik besloot voor het kleintje te zorgen. Het nest was kapot en de ouders en de andere kleintjes waren weg. Even later viel ik ook in slaap. “Oh, ik ben hier helemaal alleen, waar moet ik heen?” snikte de kleine gaai toen hij weer wakker werd. Door het luide gesnik was ook ik wakker geworden… “Niet bang zijn kleintje. Je bent niet alleen in het bos. Hier wonen nog veel dieren,” troostte ik hem. “Ik wil mijn mama en mijn papa en mijn zusjes,” snikte de kleine gaai nog luider, ”en ik kan nog niet goed vliegen en ik heb honger.” Tja dat was natuurlijk een groot probleem want die waren weggevlogen naar een veilige plaats. Ik dacht even heel diep na… Misschien kon ik hem leren vliegen. Ik had gezien hoe de ouders het aan de zusjes geleerd hadden en besloot het te proberen. Maar eerst moest het diertje een naam hebben. Gijs de kleine gaai… ja dat klonk heel goed. Ik vertelde Gijs waar hij eten moest gaan zoeken en elke dag kreeg hij vliegles. We begonnen op mijn laagste takken en dan steeds hoger en hoger. Ik riep elke keer “komaan Gijs!” tot hij het kon en dat duurde echt wel heel lang.

Foto David Thielemans

En dan was het eindelijk zover… Gijs was klaar om een vliegtocht te maken. De volgende morgen namen we afscheid. “Tot binnenkort,” kraste Gijs en huppelde heen en weer op de grond. En zoals een echte gaai vloog hij een beetje slordig verder. Die kleine gekke clown vloog steeds hoger en hoger. Maar wat deed hij nu! Plots zag ik Gijs naar beneden vliegen en landen in een ondiepe waterplas. Hij begon luid te krassen en schudde zijn kletsnatte veren uit. De kleine gaai kwam teruggevlogen en ging op de tak zitten waar vroeger zijn nest was. Hij zette een kuifje op want hij was boos. “Vliegen, vliegen, ik wil niet meer vliegen!” kraste hij boos en draaide zich om. Ik liet hem met rust. Maar hij wist wel dat hij zonder te vliegen niet kon overleven. Gijs ging op het stronkje met mos zitten. “Ik wil weer oefenen om beter te kunnen vliegen. Wil je me nog helpen?” vroeg de kleine gaai met zijn liefste stemmetje, ”ik wil graag verre tochten maken en op zoek gaan naar mijn familie.” Natuurlijk wilde ik hem helpen en de vlieglessen konden weer beginnen. Ondertussen was Gijs al goed gegroeid. Zijn vleugels werden groter en het vliegen ging gemakkelijker. “Welke vogel ben ik eigenlijk?” vroeg Gijs op een dag. “Jij bent een gaai, een garallus glandarius,” lachte ik. “Wablieft?” vroeg Gijs verwonderd. “Dat betekent, ‘voortdurend krassende eikelzoeker‘ maar we zeggen gewoon gaai, jij bent Gijs de gaai.” De jonge gaai begreep die gekke naam niet, maar ‘eikel’ dat kende hij wel. “Eikelzoeker? Moet ik eikels gaan zoeken?” vroeg Gijs. Dat was een schitterend idee. Gijs kon zijn vliegkunsten oefenen en ondertussen op zoek gaan naar lekkere eikeltjes.

Foto Kathy Rousseau

“Tot straks!” riep Gijs. Hij spreidde zijn vleugels en fladderde weg op zoek naar eikeltjes. Hij vloog naar de tuin waar zijn mama en papa elkaar hadden leren kennen. Hij vloog een beetje stuntelig rond, zoals de gaaien dat meestal doen, maar vond niets. Hij landde op een schommel die in de tuin stond en terwijl hij rondkeek, schommelde hij zachtjes heen en weer. Gijs vond het leuk en bleef een hele tijd zitten. Maar toen hij zijn hongerig buikje voelde sprong hij op de grond en trippelde hij rond in de tuin. Hij zocht in alle hoeken maar vond geen eikeltjes. Gijs spreidde zijn vleugels en vloog weg…

Illustratie Lena Dhooghe / Foto Staf van den Bossche

Gijs vond geen eiken en dus ook geen eikeltjes. Hij werd moe. “Waar zijn die eikels nu allemaal,” zuchtte Gijs, ”ik wil er vinden en ze laten zien aan de grote babbelboom. Dan zal hij trots zijn op mij.” Gijs ging op een geel paaltje zitten. Zijn kuifje kwam tevoorschijn. Hij keek naar links… maar zag niets. Hij keek naar rechts en zag ook niets… of misschien… zijn kuifje ging weer liggen en Gijs vloog weg. In de verte had hij een vogel zien vliegen en hij vloog erachter.

Foto Anita Ilsbroux

Toen de vogel landde in het gras, volgde Gijs hem. “Misschien weet die wel waar er eikeltjes zijn,” dacht de jonge gaai. “Hé hallo, ben jij ook een gaai?” vroeg Gijs aan de andere vogel die geschrokken was. “Nee hoor, jij bent een gaai. Ik ben een merel, ik ben Mevrouw merel,” zei de merel een beetje beledigd. “Oh sorry, dat wist ik niet. Ik ben op zoek naar eikeltjes. Kan jij me soms helpen?” vroeg Gijs. “Eikeltjes, eikeltjes, ik heb geen eikeltjes. Hier staan ook geen eiken en zonder eiken natuurlijk geen eikeltjes gekke gaai,” lachte Mevrouw merel. “Gijs vond Mevrouw merel helemaal niet lief. Ze lachte hem uit. Gijs spreidde zijn vleugels en vloog weg. Hij besloot om terug te vliegen naar het bos, naar de babbelboom. Jammer genoeg zonder eikeltjes.

Foto Henny van den Bos

Toen hij bijna weer in het bos was, zag Gijs een grote boom staan. “Zou dat een eik zijn?” vroeg hij zich af. Hij vloog er naartoe… en ja hoor er lagen eikeltjes op de grond. “Eindelijk!” zuchtte hij en keek heel aandachtig naar de grote boom. “Dus, dat is een eik. Dat mag ik nu nooit meer vergeten,” zei Gijs tegen zichzelf. Hij smulde van enkele eikeltjes en nam er nog een grote in zijn snavel om zo terug tot bij mij te vliegen. Ik was heel trots op Gijs en ook wel een beetje op mezelf. Want het was gelukt om Gijs te leren hoe hij een flinke gaai kon zijn.”

Foto Marc Van Wezemael

“Wat een prachtig verhaal van die kleine Gijs. Maar weet je zeker dat het Gijs is die we gezien hebben?” vraag ik aan de babbelboom. “Natuurlijk! Kijk eens naar boven. Daar zit hij. Gijs luistert ook heel graag naar mijn verhaaltjes. En als ik bezoek krijg op het bankje met mos, komt hij altijd luisteren vanop mijn hoogste tak,” En inderdaad op de hoogste tak van de babbelboom zat Gijs de gaai te luisteren. “Dank je wel voor het prachtige verhaal lieve babbelboom maar het is nu tijd voor mij om afscheid te nemen want straks wordt het donker. Tot de volgende keer! Dag Gijs!“ roep ik naar boven. En terwijl de babbelboom zijn ogen sluit, hoor ik weer het krassende geluid van Gijs de gaai.

Eén antwoord op “Komaan Gijs!”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.