Het sneeuwklokje

Gisteren was Lies een beetje ziek toen ze van school kwam. Ze had keelpijn, hoofdpijn en een beetje koorts. Mama was met haar bij de dokter geweest. Lies moet nu siroop drinken en een paar dagen rusten. Vandaag komt opa op Lies passen, morgen komt oma en daarna zal Lies wel beter zijn en terug naar school kunnen gaan.

Lies vindt het leuk als opa komt. Opa kan zo mooi vertellen. Als opa ’s morgens toekomt, slaapt Lies nog. Mama toont waar de medicijnen staan en dan vertrekt ze naar haar werk. Terwijl Lies nog slaapt gaat opa eens kijken in de tuin. Na de storm van vorige week zijn er veel takjes van de bomen gewaaid en er liggen ook nog bladeren op een hoop. Terwijl opa alles opruimt ziet hij dat er enkele sneeuwklokjes in de tuin staan. ‘Tok, tok’ hoort opa. Het is Lies die tegen het raam tikt. “Ik ben wakker opa!” roept Lies. Opa doet zijn tuinschoenen en zijn werkjas uit en hij komt naar binnen. “Amai jij hebt lekker lang geslapen. Dat is goed hoor want slapen is genezen hé,” lacht opa. Het is al bijna middag en opa en Lies gaan een boterham eten met een lekkere tas tomatensoep. “Nu de medicijnen nemen en dan nog wat rusten hé,” zegt opa. “Mag ik nu in de zetel rusten opa? En ga je mij een verhaaltje vertellen?” vraagt Lies superlief. Opa denkt even na. “Toen ik deze morgen opruimde in jullie tuin zag ik dat er al een paar sneeuwklokjes staan. Kom eens kijken door het raam, je kan ze zien van hier,” zegt opa. Lies gaat kijken. “Het is toch nog veel te koud voor bloemen,” vraagt Lies verwonderd, “het is nog winter.” “Sneeuwklokjes zijn de allereerste bloemen en die komen al piepen als het nog winter en koud is. Ik zal je er een verhaal over vertellen,” zegt opa. Samen gaan ze in de zetel zitten onder een lekker warm dekentje en opa vertelt:

Het was winter. Een dikke laag sneeuw lag op de grond. Het was koud en de wind was guur. Maar onder de grond was een klein huisje waar het lekker warm was. In dat huisje woonde een bloem. Opgevouwen lag ze in haar bolletje.

Na de sneeuw kwam regen. Koude druppels zakten door de sneeuw en door de aarde en drupten op het dak van het huisje onder de grond. Daarna kwam de zon. Een dun straaltje boorde zich door het restje sneeuw en gaf de bloembol een prikje.

“Kom maar binnen!” zei het bloemetje. “Dat kan ik niet,” zei de zonnestraal, “ik ben niet sterk genoeg om de deur open te doen. Als het lente wordt, dan ben ik sterker.”

Maar het was nog lang geen lente. Iedere nacht werd het water weer ijs. Soms sneeuwde het, soms regende het en de wind was nog steeds koud.
Af en toe scheen de zon. En elke keer prikte een zonnestraal door de sneeuw en de natte grond en klopte aan bij het huisje onder de grond.

“Kom maar binnen!” zei het bloemetje dan weer. “Dat kan ik niet,” zei de zonnestraal, “ik ben niet sterk genoeg om de deur open te doen. Als het lente wordt, dan ben ik sterker.”
“Wanneer is het dan lente?” vroeg het bloemetje. Maar de zon was alweer weg.

Het bloemetje wachtte en wachtte. Toen op een dag weer een zonnestraaltje aanklopte, hield ze het niet langer vol. “Het duurt zo lang voor het lente is! Ik krijg er de kriebels van. Ik wil me uitrekken. Ik wil zelf naar buiten kijken en goedemorgen zeggen tegen de wereld!”

Het bloemetje rekte zich uit. Ze rekte en strekte en duwde tegen de wanden van haar huisje, die helemaal zacht waren geworden door de regen en waar de zon al in geprikt had. Ze strekte zich uit door de aarde en de laatste restjes sneeuw: een dunne groene stengel met een wit-groen knopje en smalle groene blaadjes.

Het was koud. “Je bent te vroeg,” suisde de wind. Maar de zon was er ook en verwarmde de bloem met haar stralen. “Welkom, welkom,” zongen alle zonnestralen en zorgden dat het bloemetje helemaal openging. Daar stond ze, met haar witte jurkje met dunne groene streepjes.

Het was koud, maar het bloemetje was sterk en bleef staan. En toen de kinderen naar buiten kwamen, riepen ze enthousiast: “Kijk, een sneeuwklokje! Dat is de eerste! Nu wordt het bijna lente!” (Naar het verhaal van Hans Christian Andersen)

“Oh wat een mooi verhaal” geeuwt Lies. Ze rekt zich uit, kruipt onder het dekentje en valt in slaap. Opa moet er ook van geeuwen en hij gaat ook een dutje doen. Als Lies terug wakker wordt, zijn papa, mama en Lars al thuis. “Dag Liesje, lekker geslapen?” vraagt papa. “Ja hoor maar waar is opa? En mag ik morgen al naar school want ik voel me al veel beter,” vraagt Lies. “Opa is al naar huis en nee, morgen mag je nog niet naar school, nog één dag thuisblijven. Morgen komt oma bij jou,” zegt mama. “Oké, dan kan ik morgen met oma knutselen en een tekening maken over de sneeuwklokjes. Opa heeft daar een mooi verhaaltje over verteld,” zegt Lies.

Illustratie Lena Dhooghe

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.