
In het grote dierenbos klinkt een vrolijk deuntje. Krisje Krekel speelt op zijn viool. Zo wekt hij elke morgen zijn vrienden. Dan komen ze samen op de open plek in het bos om elkaar een goeiemorgen te wensen.
“Hmmmm,” kreunt Alffartje wanneer hij ontwaakt en zijn vleugels uitstrekt. Hij heeft zalig geslapen in de holle boom op een bedje van mos. Hij hoort Krisje en waggelt naar buiten. “Goeiemorgen,” lacht Krisje, die stopt met vioolspelen. Goed geslapen?” Krisje kijkt verbaasd rond. “Ja hoor, ik heb heel goed geslapen. En ik ben gewekt door een leuk muziekje. Jullie ook?” vraagt hij aan de wakkere vrienden.
“Goeiemorgen Alffartje,” zeggen Evert, Morris, Kaatje en Kasper samen. “Ja hoor.. We worden elke morgen gewekt met een vrolijk deuntje. We komen dan samen hier op de open plek om elkaar een fijne dag te wensen,” vertelt Evert Eekhoorn. “Fantastisch!” juicht Alffartje. “Je hebt nog veel groetjes van Bartholomeus. Toen de zon opkwam is hij vertrokken naar de grote bloementuin,” zegt Krisje, “hij hoopt dat je eens op bezoek komt. Ik zal je dan de weg wijzen.” Dat gaat Alffartje zeker doen. Hij is benieuwd om te zien waar Bartholomeus woont.
“We missen nog twee vrienden,” zegt Krisje ongerust. “Emiel, onze egel, die heeft zich waarschijnlijk weer overslapen,” lacht Kaatje het kaboutervrouwtje. “Maar waar is Meneer Uil? Andere dagen staat hij ons op te wachten,” zucht Kamiel. Ze zijn ongerust. De vrienden maken het muisstil. Ze luisteren naar het slaan van vleugels of een stille oe oe… maar ze horen niets. “We moeten hem gaan zoeken!” roept Krisje, “er moet iets gebeurd zijn.” Zogezegd zo gedaan. De vrienden verspreiden zich en gaan op zoek…

Alffartje vliegt naar de hoogste tak van de holle boom. Van daaruit kan hij heel ver kijken. “Daar bij de dikke notelaar zit hij,” roept Alffartje. Het is maar een eindje vliegen en Alffartje landt naast Meneer Uil.
“Oh, Meneer Uil, je zit hier zo alleen. En… je ziet er een beetje anders uit,” zegt Alffartje bezorgd. “Ik weet het, ik weet het. Er is iets ergs gebeurd. Toen ik deze nacht door het bos vloog, viel mijn brilletje naar beneden” jammert de uil. “Ja, dat is het. Er staat geen brilletje op je snavel,” lacht Alffartje. “Lach niet, dat is heel erg. Dat is een grote ramp!” roept Meneer Uil boos.

Evert, Morris, Kaatje en Kasper zijn ook toegekomen. Krisje is nog onderweg en Emiel Egel…tja die slaapt nog. Als Meneer Uil vertelt wat er gebeurd is, zijn ze allemaal bereid om te helpen. “Was het ver van hier dat je brilletje naar beneden viel?” wil Morris weten. “Denk je dat het gebroken is?” vraagt Evert. “Ik weet het niet,” snikt Meneer Uil, ”ik zie bijna niets zonder mijn brilletje en ik ben zo moe. En dan ben ik ook nog eens tegen deze dikke boom gevlogen en naar beneden gevallen. Wat een ellende!”
“Rust maar goed uit Meneer Uil. Ondertussen gaan wij je brilletje zoeken,” zegt Alffartje. “We vinden het wel,” zegt Krisje die ook aangekomen is. Zogezegd zo gedaan.
Even later zit Meneer Uil te snurken tegen de dikke stam van de grote notelaar. De vrienden gaan op zoek naar zijn brilletje.

Evert Eekhoorn zoekt tussen de klimop. Misschien heeft Meneer Uil daar zijn brilletje laten vallen en is het tussen de bladeren blijven hangen.
Morris Merel vliegt naar de meidoornstruik. Hij springt van tak naar tak.
Alffartje zoekt in de holle boom. Da’s een groot werk want die boom heeft heel veel takken. Grote en kleine. “Niets te zien,” zucht Alffartje, “ik hoop dat iemand anders het brilletje heeft gevonden.”
Krisje zoekt ook mee. Hij stapt heel voorzichtig rond in het gras. Misschien ligt het brilletje daar wel.
De kabouters zoeken tussen de hele hoge grassen. Ze hebben het allemaal heel druk.

Ondertussen is Emiel Egel eindelijk wakker geworden. Hij heeft heel lang geslapen onder een dikke hoop afgevallen bladeren. “Ah, ik heb goed geslapen,” geeuwt Emiel terwijl hij van tussen de bladeren kruipt. “Hé, wat is dat!” schrikt hij. Er is iets op Emiel zijn kopje gevallen. En nu ligt het in het zand. Hij stapt dichterbij. “Het is een brilletje. Meneer Uil heeft er zo een,” zegt Emiel verbaasd. Hij zet het op zijn neusje. “Oh alles is zo groot nu,” lacht hij. Hij wil het laten zien aan zijn vrienden.

Die zitten samen bij de stam van de holle boom. Niemand heeft het brilletje van Meneer Uil gevonden. “Kijk daar, Emiel de slaapkop is wakker,” lacht Krisje Krekel.
“Wat heb jij daar op je neusje!” roept Morris Merel, “Dat is het brilletje van Meneer Uil.” Krisje gaat dichterbij… “Ja, hoera! Het is gevonden! Waar lag het?” wil Krisje weten. “Ik denk in het hoopje bladeren waaronder ik sliep. Toen ik er vanonder kroop, viel het op mijn hoofd en dan in het zand,” vertelt Emiel.

“Kan je ons goed zien als je door de glazen van het brilletje kijkt?” vraagt Kaatje, het kaboutervrouwtje. “Ja hoor, maar jullie zijn allemaal groter nu.” lacht Emiel.
De vrienden zijn nieuwsgierig en één voor één willen ze ook eens door het brilletje kijken.
Ondertussen is Meneer Uil wakker geworden. Hij blijft tegen de stam van de dikke eik zitten want hij ziet heel slecht zonder zijn brilletje op.

“Hallo! Heeft er iemand mijn brilletje gevonden?” roept hij luid. “Ja hoor!” roepen de vrienden en gaan bij Meneer Uil zitten. “Even bukken,” lacht Emiel en zet het brilletje op de snavel van Meneer Uil. “Oh, dank je wel! Nu kan ik jullie weer zien en naar mijn slaapplaats vliegen,” zegt Meneer Uil opgelucht.
“Het is voor mij de hoogste tijd om terug naar de Alffarhoeve te vliegen, naar mijn andere vrienden,” zegt Alffartje.
Voor hij afscheid neemt, zingen ze samen nog een prachtig lied. En Krisje speelt daarbij op zijn viool.
‘Al regent het ook dat het giet,
al schijnt de zon soms dagen niet.
toch hebben wij dan geen verdriet,
want we horen we horen bij elkaar,
we horen bij elkaar.
Al zijn de dagen koud en guur,
we kruipen lekker bij het vuur.
en zingen tot het nachtelijk uur
want we horen we horen bij elkaar,
we horen bij elkaar.”
(uit “Het Oinkbeest” Elly &Rikkert)
“Daaaaaaag Alffartje! Tot ziens!” roepen de vrienden als hij zijn vleugels spreidt en wegvliegt. Want Alffartje heeft beloofd om nog eens op bezoek te komen…
