
Alffartje heeft zijn vrienden nodig want hij heeft een groot probleem. Het is volle maan vanavond en dan komen ze op bezoek. Misschien kunnen zij hem helpen…

“Kukelekuuu! Kukelekuuuu!” kraait de grote witte haan op de Alffarhoeve. Het begin van een zonnige dag. Een blauwe lucht, het groene gras en de kleur van bloemen en planten… een prachtig schilderij met de mooiste kleuren.
De dieren ontwaken na het luide gekraai van de witte haan.

Behalve Alffartje, die ligt nog te snurken op zijn bedje van afgevallen bladeren in de holte van zijn knotwilg. Hij heeft vannacht heel slecht geslapen. Een raar geluid wekte hem vaak. Alffartje vloog dan even rond om te zien vanwaar het kwam, maar vond niets of niemand. Toen het stil was, ging hij weer slapen. Maar een tijdje later was het geluid er weer en ging Alffartje terug op zoek. Zo ging het de hele nacht door. Het was te donker om echt goed rond te kijken en eigenlijk was Alffartje te bang om zo helemaal alleen rond te vliegen. “Vanavond is het volle maan. Dan komen mijn vrienden en kunnen we samen op zoek gaan,” dacht Alffartje en hij probeerde weer te slapen.

In de holte van de knotwilg klinkt een stil knorrend geluid. Het is de buik van Alffartje die vertelt dat hij honger heeft. Tijd om op te staan.
Even later ontwaakt de kleine blauwe vogel. Hij gaat op de rand van de holte staan. Hij spreidt zijn vleugels en rekt zich uit. “Aaaah aaah, ik ben nog moe,” geeuwt Alffartje. “En wat heb ik een honger, vlug naar het kippenhok om te ontbijten,” zegt Alffartje als hij zijn buikje hoort grommen.

Hij vliegt naar het kippenhok. De kippen zitten gezellig te kakelen en te genieten van de zon. “Tok tok tok!” kakelt de grijze kip, “wat ben jij laat vandaag Alffartje. Wij hebben al ontbeten.” Alffartje schrikt. “Is er nog iets over voor mij?” roept hij ongerust. “Tok tot tok, natuurlijk,” kakelt een witte kip. Alffartje waggelt naar binnen en smult van zijn ontbijt. “Dank je wel dametjes,” roept Alffartje als hij zijn vleugels spreidt en weer naar buiten vliegt, “jullie zijn de allerliefste kippen van de hele wereld.” De kippen kakelen blij en Alffartje kakelt vrolijk mee.
Hij spreidt zijn vleugels en vliegt hoog over de Alffarhoeve. Alle dieren zijn al wakker. “Ik heb echt veel te lang geslapen,” jammert Alffartje, “ik heb zelfs de haan niet horen kraaien.” Vanuit de lucht roept hij goeiemorgen naar de dieren en zwaait met zijn rechtervleugel.

Als hij over de weide van de Kerry Hill schapen vliegt, daalt Alffartje. “Hé, wat een leuke lammetjes,” lacht hij. Ze zijn wit maar hebben allemaal een zwarte snoet, zwarte oren en zwarte vlekken rond de ogen. Ook de knieën en de hoeven zijn zwart. Alffartje wil de kleintjes graag leren kennen en landt net naast hen.

De drie sloebers zien hem niet en eten rustig verder. Voorzichtig waggelt Alffartje naar hun rode schaal gevuld met korrels. “Smakelijk,” lacht Alffartje. “Mèèèè mèèèè mèèèè,” mekkert Kamil die met zijn pootjes in de korrels staat. “Mèèè wie ben jij?” vraagt Kamil. “Ik ben Alffartje en woon hier al een hele tijd op de Alffarhoeve. Daar in de oude knotwilg. Ik kakel als een kip, waggel als een eend, vlieg en fluit en zie er een beetje anders uit. Alle dieren van de Alffarhoeve zijn mijn vrienden. Maar jullie heb ik nog niet gezien,” antwoordt Alffartje. “Mèèè ik ben Kamil. Dit is Karel en daar is Kas. Dat zijn twee grote slokoppen,” zegt Kamil. “Ja dat zie ik,” lacht Alffartje, ”tot binnenkort.”

Na een dag vol bezoekjes is het eindelijk avond.
Alffartje zit op een dikke tak ongeduldig te wachten op zijn drie vrienden Chloë, Schalulleke en Chepito want… het is volle maan.
Hij vertelt hen over het rare geluid dat hem ’s nachts wakker houdt. “Willen jullie me helpen?” vraagt Alffartje met zijn liefste stem.

“Ia ia ia natuurlijk willen we helpen. Daar zijn vrienden voor,” balkt Chepito, “spring maar op mijn rug.” Ook Chloë en Schalulleke willen mee op pad. “Het geluid kwam van daar,” zegt Alffartje en wijst naar het bos achter de vijver. De vrienden spitsen hun oren… maar horen niets. Met z’n vieren wandelen ze een eindje verder. “Ssssst luister,” fluistert Alffartje. Het rare geluid is er. De vrienden horen het nu ook.
“Knor knor knor, het lijkt wel of iemand puft en blaast,” knort Chloë. “Mèèh mèèh, en ook huilen,” mekkert Schalulleke.

De vrienden zijn ongerust. “Ia ia ia, hou je vast Alffartje, we gaan vlugger lopen want ik denk dat er ons iemand nodig heeft,” zegt Chepito.
En daar gaan ze. Ze kijken naar alle kanten maar zien nog altijd niets. Het geluid is nu wel dichterbij. Ze zijn bij de grote vijver. Het geluid komt uit het bos. Tussen de bomen schijnt ook het licht van de volle maan. Goed kijken en luisteren is de boodschap.
“Kijk daar!” roept Alffartje en spreidt zijn vleugels.

Hij vliegt het bos in en landt op een dikke tak naast een kleine bosuil. “Heb jij dat geluid ook gehoord?” vraagt Alffartje, “het komt uit het bos. Of heb je iets gezien?” Alffartje weet dat een uil een nachtdier is dat ’s nachts wakker is en overdag slaapt. Misschien weet hij wel wat het geluid is. En heeft hij iets gezien bij het rondvliegen in het bos. “Oe-hoe-hoe-hoeee” antwoordt de uil, “ik heb iets gehoord maar niets gezien. Ik kan je niet helpen sorry.” Alffartje spreidt zijn vleugels. “Dan gaan we verder zoeken. Ik moet het weten want ik word er ’s nachts wakker van,” zucht Alffartje. “Oe-hoe-hoe-hoeee, succes!” roept de uil.
“De uil wist ook niet wat dat geluid is,” zegt Alffartje als hij weer bij zijn vrienden komt. Ze wandelen verder het bos in.

In de holte van een omgevallen boom ligt een vos te slapen. “Mèè mèè, vraag eens aan de vos of hij iets weet,” zegt Schalulleke. “Dat durf ik niet. Die is zo groot en misschien wel gevaarlijk,” roept Alffartje. “Ik zal het dan wel doen,” lacht Schalulleke en ze sluipt dichterbij. “Euh… meneer vos, ik heb een vraagje. Weet jij wat het geluid is dat uit het bos komt?” vraagt Schalulleke ongerust. Zij is toch ook wel een beetje bang. “Geluid? Welk geluid?” vraagt de vos verbaasd. Hij spitst zijn oren en luistert… “Oh ja, dat geluid. Dat hoor ik soms maar weet niet wat het is. Ik kan je niet helpen, sorry. Gaan jullie het uitzoeken?” vraagt hij. “Ja ja want onze vriend Alffartje kan er niet van slapen,” antwoordt het geitje terwijl ze terugloopt naar haar vrienden. “Succes!” roept de vos.
“De vos weet ook niet wat het is. Kom we zoeken verder,” zegt Schalulleke en ze wandelen verder, dieper het bos in.

“KNOR KNOR KNOR!” schrikt Chloë als er iets over haar hoofd vliegt, “wat was dat?” De vrienden kijken op en zien een vleermuis vliegen.
Vleermuizen zijn ook nachtdieren net zoals de uil en de vos. “Da’s een vleermuis,” lacht Alffartje, ”die zal niets gezien hebben want vleermuizen zien niet goed.” De vleermuis hangt nu ondersteboven tegen een boomstam. Dat doen ze om vlug te kunnen wegvliegen als er gevaar is. Ze kunnen niet vertrekken van op de grond. Als ze hangen gaat dat prima.
“Maar ze horen wel heel goed,” vertelt Alffartje, “ik vlieg er naartoe om te vragen of hij iets weet.” De vleermuis heeft het geluid al heel vaak gehoord en hij vertelt ook dat het heel dichtbij is. “Luister maar,” fluistert de vleermuis. En inderdaad het geluid is in de buurt. “We zoeken verder,” zegt Alffartje. “Succes!” roept de vleermuis.
Onderweg naar zijn vrienden ziet Alffartje iets bewegen op de grond. En vandaar komt het geluid.

Hij vliegt naar beneden en landt naast een hoopje takken. Tussen de takken zit een egel. Hij zit vast en maakt het jammerende geluid.
“Oh egeltje wat is er gebeurd?” vraagt Alffartje. “Ik zag wat lekkers liggen tussen de takken en toen ik het wilde pakken, raakte ik vast met mijn stekels. Ik geraak er niet meer uit en ik heb zo’n pijn,” huilt het diertje, “wil jij me helpen?” Natuurlijk wil Alffartje dat. Met beide vleugels probeert hij de takjes uit elkaar te halen. Maar het lukt niet en het prikt aan zijn vleugels. “Ik ga hulp halen,” zegt de kleine blauwe vogel. “Terugkomen hé!” roept het egeltje ongerust.
“Ik ga mee om te helpen,” zegt Chepito als Alffartje over het egeltje vertelt.

“Hier ben ik weer. Dit is Chepito en hij zal je bevrijden,” lacht Alffartje als ze bij het egeltje komen.
Voorzichtig breekt Chepito de takjes door er met één poot op te trappen. Gelukt! Het egeltje is vrij.

Dolgelukkig en dankbaar gaat het egeltje op zijn achterpoten staan. Hij kijkt verbaasd naar Alffartje. “Wie ben jij eigenlijk? Jij ziet er een beetje anders uit.” vraagt hij.
“Ik ben Alffartje en woon hier al een hele tijd op de Alffarhoeve. In de oude knotwilg. Ik kakel als een kip, waggel als een eend, vlieg en fluit en zie er een beetje anders uit. Alle dieren van de Alffarhoeve zijn mijn vrienden. En misschien wil jij ook mijn vriendje zijn,” vraagt Alffartje. “Jij bent mijn beste vriend nu en jij ook ezeltje,” fluistert het egeltje verlegen. “Ia ia, aangenaam, ik ben Chepito,” balkt de ezel, “en ja hoor ik wil ook graag jouw vriend zijn.”
Met z’n drieën wandelen ze naar Chloë en Schalulleke. Alffartje wil zijn andere vrienden ook voorstellen.

Het is ondertussen heel laat geworden. De hoogste tijd voor Alffartje, Chloë, Chepito en Schalulleke om te gaan slapen. Ze wandelen samen terug naar de Alffarhoeve. Alffartje durft weer vliegen en het egeltje wandelt gezellig een stukje mee bij het licht van de volle maan. En als je heel goed luistert hoor je een geluid… het gegrom van de egel zijn buikje want hij heeft heel grote honger.
