De dieren op de Alffarhoeve hebben heel lang kunnen genieten van een mooie zonnige herfst. Alffartje is heel lang bij hen gebleven. Maar de laatste weken is het kouder en natter. Tijd voor de kleine blauwe vogel om te vertrekken naar een warmere plaats.
Waar zal hij dit jaar de koudste maanden doorbrengen?
Na het ontbijt bij de kippen, neemt Alffartje afscheid van al zijn vrienden op de Alffarhoeve. Voor zijn reis naar een warme plaats, gaat hij op bezoek bij zijn andere vrienden in het grote dierenbos. Dat had hij beloofd.

Bij zijn vorige bezoekjes volgde Alffartje de richting van de muziek. Toen was het avond. Dan komen de vrienden samen op de open plek en speelt Krisje op zijn viool. Nu is het nog dag en licht. Krisje moet zelf de weg zoeken. En dat lukt goed.
Het is daar rustig en heel stil. Alffartje is daar helemaal alleen.

De deur van het kabouterhuis in de holle boom is dicht. Alffartje klopt op de deur… Kaatje en Kasper zijn niet thuis. “Dat is raar,” denkt Alffartje, “hun deur staat altijd open. Je bent er altijd welkom.” Alffartje is ongerust en gaat zijn vrienden zoeken. Zijn bruine kam hangt helemaal slap. Krisje, Bartholomeus, Evert, Morris, Emiel, Meneer Uil en de kabouters. Hij kijkt er zo naar uit om hen terug te zien. Hij spreidt zijn vleugels en vliegt rond in het bos terwijl hij heel luid een liedje fluit. Misschien zullen de vrienden hem horen en kan hij afscheid nemen voor hij naar een warme droge plaats vertrekt.

Een eindje verderop in het bos zijn Kaatje en Kasper druk bezig om hout te sprokkelen. Ze leggen een grote voorraad aan voor de winter. Dan is het veel te koud om op zoek te gaan en als het sneeuwt vinden ze de kleine takken niet meer.
“Hé Kasper, luister eens … hoor je dat gefluit? Zou dat … Alffartje zijn?” vraagt Kaatje. Kasper luistert goed…. “Ja hoor dat is onze blauwe vriend! Zeker weten!” juicht hij. “Alffartje! Alffartje! We zijn hier!” roepen de kaboutertjes samen. Alffartje heeft hen gehoord en vliegt naar zijn kleinste vriendjes.
“Hier zitten jullie verstopt! Ik was ongerust. Er was niemand bij de holle boom en de deur was dicht. En verder zag ik niemand,” zucht Alffartje. “Wat zijn we blij om je weer te zien!” lacht Kaatje. “Wij zijn allemaal druk bezig om ons klaar te maken voor de winter. Wij leggen een hele voorraad takken aan voor ons kacheltje. Om ons te verwarmen in de koude maanden,” vertelt Kasper.
“En zijn de anderen ook druk bezig?” vraagt Alffartje. Zijn bruine kam staat weer mooi rechtop. “Ja hoor, vlieg maar rond in het bos. Ze zullen heel blij zijn om je te zien. Tot straks op de open plek,” lacht Kaatje.
Alffartje spreidt zijn vleugels en vliegt al fluitend verder het bos in.

Tussen de takken van een hoge boom zit Morris de merel. Hij plukt rode bessen en legt een grote voorraad aan voor de winter. En af en toe eet hij er eentje op. Ze zijn zo lekker.
En dan hoort hij een vrolijk gefluit…
“Hé wat hoor ik daar? Is dat het vrolijke gefluit van onze blauwe vriend?” juicht Morris. “Alffartje! Alffartje! Ik ben hier! Hier hoog in de besjesboom!” roept hij luid.
Alffartje heeft de stem van Morris herkent en vliegt naar hem toe. “Dat vrolijke gefluit kan alleen van jou zijn. Welkom Alffartje!” roept Morris blij. “Blij je te zien Morris. Jullie zijn allemaal druk aan het werk. Ik zag net de kaboutertjes, die sprokkelden hout voor de winter,” vertelt Alffartje. “En ik leg een voorraad aan van die heerlijke rode besjes want als het echt koud wordt, vind je die niet meer,” zucht Morris. “Zijn die echt zo lekker?” lacht Alffartje terwijl hij met zijn oranje snavel een besje plukt. En hij plukt er nog één. “Hé laat nog iets over voor mij hé,” zeurt Morris. “Ze zijn echt heel lekker,” smult Alffartje. “Tot straks op de open plek.”
De kleine blauwe vogel open zijn vleugels en vliegt weer verder het bos in.

Op een dikke afgebroken tak zit Evert de eekhoorn. Voor hem liggen eikeltjes mooi op een rij. Hij spitst zijn kleine oortjes want ook hij hoort het vrolijke gefluit van zijn blauwe vriend. Alffartje heeft hem gezien en landt net naast Evert op de dikke tak. “Hallo Evert, ben jij ook een voorraad aan het aanleggen voor de koude maanden. “Oh Alffartje, zo blij van je nog eens te zien. En ja hoor, ik verzamel nootjes om eten te hebben als het winter is. Dat doe ik elk jaar opnieuw,” vertelt Evert. “Zie ik je straks op de open plek bij de holle boom?” vraagt Alffartje. “Natuurlijk,” lacht Evert, “daar zijn we elke avond. Tot straks!”
Alffartje spreidt opnieuw zijn vleugels en vliegt al fluitend verder het bos in.

“Hé waar vlieg je naartoe?” klinkt een stemmetje. Alffartje kijkt verbaasd rond. Op de grond tegen de stam van een boom zit Emiel de egel. “Oh, Emiel ik had je niet gezien. Je zit verstopt tussen al die blaadjes,” lacht de blauwe vogel, “ben jij ook aan het werk voor de winter?” Emiel schudt de blaadjes van zich af. “Ja, zeker en vast! Zoals elk jaar zoek ik de grootste en de zachtste bladeren om een grote hoop te maken. Daar kruip ik dan in om mijn winterslaap te houden,” vertelt Emiel. “Ga je dat nu al doen?” vraagt Alffartje ongerust. “Nee nee, ik wacht tot het nog wat kouder wordt. Kom je straks naar de open plek bij de holle boom?” vraagt Emiel. “Ik zal er zijn. Weet jij waar ik Krisje en Bartholomeus kan vinden?” zucht Alffartje die een beetje moe wordt. “Bartholomeus is al terug naar de grote bloementuin en Krisje vind je verder bij het hoge gras,” antwoordt Emiel.
Alffartje vindt het jammer dat Bartholomeus is vertrokken. Misschien kan hij in de lente naar de bloementuin vliegen en hem daar een bezoekje brengen…
Alffartje spreidt weer zijn vleugels en vliegt al fluitend verder het bos in, op zoek naar Krisje en het hoge gras. “Hij kijkt nog even achterom. “Tot straks Emiel!”

Gehurkt en met zijn kopje naar beneden is Krisje Krekel op zoek naar het zachtste mos voor zijn bedje in de holle boom. Als hij het vrolijke gefluit hoort, staat hij helemaal rechtop. “Alffartje mijn grote blauwe vriend!” juicht Krisje. “Eindelijk, ik heb je gevonden,” zucht Alffartje als hij in het hoge gras naast Krisje landt. “Tja als je je vrienden wil zien, moet je er iets voor doen hé,” lacht Krisje terwijl hij Alffartje een dikke knuffel geeft. De vrienden hebben elkaar heel veel te vertellen maar daar is nu geen tijd voor. Krisje moet nog wat verder werken voor het donker wordt. Ze spreken af vanavond op de open plek voor de holle boom.
Alffartje heeft bijna al zijn vrienden gevonden. Meneer Uil zal hij vanavond pas zien. Die slaapt nu.

Het is avond en de vrienden zijn op de open plaats in het bos. Het gezelligste moment van de dag. Echt donker is het niet. Alles wordt verlicht door de volle maan. Krisje speelt leuke melodietjes op zijn viool en Alffartje fluit vrolijk mee.
Ook Meneer Uil is erbij. Ook hij is blij om Alffartje nog eens te zien. Als het tijd is om te gaan slapen, neemt Meneer Uil afscheid. Hij vliegt het donkere bos in om de kleine nachtdieren te beschermen.
Maar niemand heeft zin om te gaan slapen. “Het is nog veel te licht. Laten we een wandeling maken in het bos,” stelt Krisje voor. “Oh ja topidee!” juichen de kabouters, “dan kunnen we de nachtdieren zien. De volle maan geeft ons licht genoeg.”
Zogezegd zo gedaan, de vrienden gaan op stap.

Tijdens de wandeling blijven Kaatje en Kasper heel dicht bij Alffartje. Daar voelen ze zich veilig. De geluiden van de nacht zijn soms wel een beetje eng. Af en toe zien ze een vleermuisje vliegen en horen ze uilen roepen. Morris merel en Evert de eekhoorn kennen het bos door en door en wijzen de weg. Tot… het plots donker wordt…

“Oh wat gebeurt er!” roept Kaatje en kruipt nog dichter bij Alffartje. Het is muisstil in het bos. Iedereen is geschrokken. De vrienden blijven stokstijf staan. “Er is een wolk voor de maan geschoven, daarom is het nu zo donker,” vertelt Krisje. Emiel en Morris kunnen de weg niet meer vinden. Wat nu?
“Oehoe oehoe oehoe,” hoor je in het bos. “Dat is Meneer Uil,” roept Alffartje. “MENEER UIL!! roepen de vrienden luid, “we zijn hier !!!” Meneer Uil heeft hen gehoord en vliegt naar zijn vrienden.

Hij kan goed zien in het donker omdat hij een nachtdier is. En hij heeft ook nog een brilletje op. “Wijs jij ons de weg lieve Meneer Uil,” vraagt Kaatje die heel bang is. “Ik wil wel maar ik kan dat niet alleen,” zegt Meneer Uil, “wacht even, ik ga hulp halen.”
De vrienden blijven wachten…

Even later komt Meneer Uil aangevlogen met wel honderd kleine vuurvliegjes. Ze zijn klein maar geven veel licht. “Mijn kleine vriendjes vliegen met jullie mee tot op de open plek. Succes vrienden!” roept Meneer Uil. Hij spreidt zijn vleugels en vliegt weg in het donkere bos.
Morris en Evert herkennen nu de weg naar de open plek. De vuurvliegjes vliegen vrolijk in het rond tot ze weer bij de holle boom zijn.

De vuurvliegjes blijven nog even tot Alffartje en zijn vrienden een vuurtje aangemaakt hebben. Zo hebben ze weer licht om naar hun slaapplaats te gaan. Maar voor ze dat doen speelt Krisje nog een rustig deuntje op zijn viool en Alffartje fluit vrolijk mee.
“Oehoe oehoe wat is het hier gezellig,” fluistert een stem. Het is Meneer Uil die zijn vrienden een rustige nacht komt wensen. Dan vliegt hij terug naar het donkere bos samen met de vuurvliegjes.
Terwijl het vuurtje nog brandt gaat iedereen naar zijn slaapplaats.

Alffartje blijft slapen in de holle boom bij Krisje en de kabouters. Kaatje en Kasper liggen in een holle boomstronk op een matras van zacht mos, bedekt met afgevallen bladeren. Krisje heeft een warme slaapmuts opgezet en slaapt op een halve dikke tak, ook bedekt met mos. En Alffartje ligt stilletjes te snurken op een stronk. Hij vindt het gezellig en lekker warm in de holle boom. Nu begrijpt hij waarom Krisje Krekel het zachte mos zocht in het bos. Lekker mals om op te liggen. Onze blauw vriend heeft ook een warme muts op. “Met een muts op je hoofd is het altijd lekker warm, da’s beloofd,” heeft Kaatje de kabouter verteld.
De volle maan verlicht weer het bos. Het is er muisstil… Je hoort alleen het slaan van de vleugels van Meneer Uil en af en toe een stille ‘oehoe oehoe’.
Wordt vervolgd
